“Dag Harms, wat zit je toch weer te piekeren? Neem maar eens een lekker bruin bonensapje van het huis. Oh ja, ik zorg dat er een beetje melk en twee zoetjes in komen.” Verwonderd en met dankbare blik keek Harms naar zijn vriend, kastelein schele Japie. ’t Mocht wat, dacht Harms, ’t mocht wat, de eenvoudigen der aarde….Bijna verzonk Harms in gedachten die boven zijn grijze delen uitkwamen. Het gesprek met zijn oud en oude collega was hem niet in de koude kleren gaan zitten. “Doornspijk zelfstandig”. ’t Was te mooi om waar te zijn. Snel was hij daarna vertrokken. Wat ging er allemaal in hem om? ’t Was een goed gesprek geweest. Niet snel afgeraffeld, inhoudelijk, meegaand en misschien zelfs wel vriendelijk. Geen kwaadsprekerij, gewoon fijn inhoudelijk en warm. Gedachten kieperden door Harms hoofd. Of hij er met zijn hoofd niet bij kon. Doornspijk en café van Beek of kroeg(?), maar nooit te schielijk. En nu was Harms in de kroeg, nee zo had hij dat niet geleerd. En als hij dan vroeger in de kroeg kwam, dan was het om de centen, stuivers en dubbeltjes om aan de “kroegbaas” te overhandigen. Centjes moeizaam bijeen gesprokkeld uit de busjes van de zending. Ach heden, dat was net wat voor Harms, hij met zijn magere armpjes kon nog prima dat geld uit de busjes krabbelen. En dan mocht hij van pa, kennelijk beheerder van die potjes voor de zending, ze naar de “kroegbaas” brengen. Omwisselen. Een beek aan geld? Harms wist het niet meer. Hij schudde zijn grijze -en spaarzame- manen, kroelde in zijn bijna witte baard, maar nee, hij had daar geen actieve herinneringen meer aan. Als klein jochie naar de “kroeg” ach heden, en ja daar zaten wel bekende mensen van het dorp. Lagers en Bengelen, enfin, zomaar wat namen schoten hem door het hoofd en helemaal zuiver op de graad was Harms, met namen niet meer.


Inmiddels had Japie al zijn heerlijke potje bruinenbonensap aan Harms geoffreerd. Maar Harms was ergens diep weg met zijn gevoelens en gedachten. ’t Ging zo snel. En laat de vrouw van die man nu net zo heten als zijn eigen vrouw. Met roep en doopnaam! Harms had er schik van gekregen. En van dat kleine dorp op de Veluwe, neen, loskomen ervan dat deed Harms niet.

Als volleerd gastheer had Japie al lang door dat Harms “effe weg was”. Japie, ja die voelde wel aan dat Harms zo maar ineens diep melancholisch de wrede gedachten van het verleden kon omzetten in dankbare mijmeringen. En Japie zag dat het met Harms wel goed was.

Terwijl Harms van zijn voortreffelijke sapje zat te genieten, het zonnetje zo waar zelfs de gelagkamer verlichtte, stiefelde Japie toch maar eens naar zijn beste vriend. “Nou Harms, ik ben best blij dat jij er bent man. In de Friese Wouden kan het soms zo eenzaam en stilletjes zijn. Die brulapen uit het Westen Harms, die hebben altijd zoveel drukte in de zomer, lawaai en opschepperigheid. Maar bij jou Harms , voel ik de rust en tevredenheid van de stilte van de Friese wouden eigenlijk spreekwoordelijk over mij komen. Dus ik ben gewoon blij dat jij er bent.” “ Maar Japie, wat zeg je nu? Ik ben altijd weer dankbaar dat ik van de rust en de eenvoud Japie, de eenvoud van het Friese Woudlopersgilde, mag genieten. Het zit bij mij in de genen. En daar schaam ik mij niks voor. En bij jou Japie , vind ik het eigenlijk altijd wel gewoon een verademing ook al woon ik tegenwoordig op een mooi stekkie hoor, aan de boorden van het Veluwe land.

Wolf

Alleen die verhipte doodlopers. Die smerige vreters en aasgieren…” ”Wat bedoel jij nu Harms?” “ Wel Japie, die wolven. t’ Wordt steeds gekker. Ik liep zaterdag nog door het bos. Hier liep ik gelukkig niet snel. Maar ineens vloog een knaap van een beest over het bospad. Kijk Japie, ik heb zelf een paar foto’s kunnen maken van de pootafdruk.

Japie, ik schrok mij bijna uit mijn wandelschoenen en greep onmiddellijk mijn behoorlijk grote zakmes. Maar voordat ik goed en wel bekomen was van de schrik was die alweer uit mijn blikveld. Echt man, ik krijg het er koud van als ik denk wat zo’n beest je kan aandoen. En die kwaliteitsbewakers van een gekooide “ambtenaartjes en milieufreaks” ? Ach, laat ik ophouden. Ze hebben, arme schapen dat ze zijn, zelf geen beest. Maar ’ t zal je maar gebeuren als je schaapjes doodgebeten en verscheurd worden”.

Verschrikt keek Japie Harms aan. “Zo, die heb je wel zitten geloof ik? Maar goed dat Wapse er niet is want je zou hem kunnen aanvliegen, Harms, bedaar man”. “Ja ja, jullie Friezen. Ach Japie, zelf heb ik wel eens gedacht “die zijn stapelgek” willen heel Friesland gaan afrasteren. Maar man, ’t is waar, op de Veluwe is het echt veel te gek aan het worden. In Overijssel, Groningen nu ook al en Drenthe precies zo. Er is maar een remedie Japie, afknallen die hap. Zo, en weet je laten we het maar op zijn Fries doen vandaag, neem jij van mij een BB’tje (nee, niet met drie B’s, die bakken er ook helemaal niks van) en dan moeten we maar denken: laat de boeren maar dorsen. Ja Japie, ik moet er wel een beetje om lachen, die suffertjes achter de groene burelen hebben geen idee, er zijn blijkbaar al 20 van die beesten zoek. Nou ik denk dat ik wel weet hoe de vork in de steel zit. ’t Zou mij niet verbazen als de opstand van ons volk voor deze keer een eigenrichting (waar ik over het algemeen niet zoveel mee heb, maar goed dat weet je wel) is ingeslagen. En ik denk dat dat terecht is.”

Sprookjes.
“ Ja Harms, er is een groep die denkt dat het verhaal over Roodkapje en de grote boze wolf een sprookje is. Ik geloof niet in sprookjes. Maar misschien kun je wat met de vachtjes, Harms?”
Japie en Harms keken elkaar aan. En hoewel Japie er een paar meter naast zat met het kijken, beide mannen grinnikten. “Sprookjes ja ja, ach wolven, lieve diertjes Japie, ze doen geen vlieg kwaad. En over die vachtjes Japie, zal ik je nog wel eens onderhouden.”


Nunspeet, 4 februari 2025